Krakelwee
door René Poort – Krakeling-vader van 1992 tot 1998
uit “Duik je mee in de Krakelingzee”, verschenen ter gelegenheid van het 20jarig bestaan van de Krakeling (oktober 2000)
In de vroege avond van onze voorlaatste crèchedag was Jonah opeens zijn knuffel kwijt. Pas toen hij zijn tanden moest poetsen, en we de trap opliepen, merkten we het.
Hij ging op de bovenste trede zitten en zei voorzichtig: ‘Papa, Beerzeer’. Hij keek me aan om te zien hoe de mededeling viel. En toen wist ik meteen wat hij ook al wist; waar hij was, Beer.
‘Nee hè’’ vroeg ik, ‘op de crèche?’.
Hij knikte. ’Shit mannetje’, zeurde ik ‘hoe kan dat nou toch? Hoe kan je nou steeds het allerdierbaarste van de hele wereld overal kwijt raken? Dat is toch heel dom? En nou is het ook al heel laat. Ik weet niet of…’
Jonah knikte nog eens, om zijn domheid te bekennen en zijn spijt te betuigen. Maar tegelijkertijd zocht hij stiekem in mijn blik naar weke plekjes. En terwijl ik in gedachten uitrekende hoe laat hoe laat ik weer met Beer terug zou kunnen zijn (waarbij ik de eeuwige tijd van het zoeken zelf, sullig vergat) begon hij zijn levensechte beer-zeer gluiperig te mengen met de helse charme van vierjarige jongetjes. Dat kon hij erg goed. Nog juist voor zijn onderlipje een klaaglijk eigen leven ging leiden, suste ik hem. ‘Stil maar,’zei ik, ‘ik ga `m wel even halen’. Op de fiets probeerde ik te tellen hoe vaak ik rond kinderbedtijd zo’n tocht had moeten maken. Ik kwam tot negen maal. Drie keer voor Eva en zes keer voor Jonah. En omdat ik zo toch aan het mijmeren raakte, trachtte ik ook meteen te berekenen hoeveel van deze ritten ik in totaal gemaakt had, van huis naar de crèche en weer terug. Maar dat mislukte natuurlijk en van liever lede werd de fietstocht een stapvoets gepeddel door mijn walgelijk geheugen dat godbeterhet alles maar bewaart alsof het niets is. Toen ik de deur van de crèche openduwde, had ik mijzelf sloom terug in de tijd getrapt en waadde ik onbekommerd door de fijne geur van natte was en volle stofzuigerzakken naar mijn eerste algemene vergadering, juist op het moment dat iemand nog maar eens de kwestie van papieren versus katoenen luiers ter tafel had gebracht.
Dat heb ik weer, dacht ik, droom ik eens levensecht weg, kom ik bij zoiets uit.
De discussie ging zoals gewoonlijk alle kanten op. Terwijl het ene deel van de troep de zaak principieel aan vatte en katoen verplicht wilde stellen, bleek een ander deel zich slechts te bekommeren om de hardleerse onverschilligheid van ‘draaiers’die van het katoen-verschonen telkens weer een zooitje maakten. Deze kennelijke nonchalanten roerden zich verbolgen, want een van hen had namelijk de moeite genomen om de rituelen van zo’n verluiering eens te timen en het was gewoon gevaarlijk zo lang als dat duurde; je had hjaast geen tijd meer om nog iets anders te doen. Het leek wel origami. Deze achterbakse proefneming rakelde een nieuwe twist op, die van de éen-op-drie tegenover de één-op-vier (‘draaiers op kinderen’). Verschillende ouders die al van voor ‘de kroning van `80’ of zo op de Krakeling waren, en die nog de tijden hadden gekend dat je in alle rust de met liefde op kleine briefjes geschreven handleidingen bij de luiers eens goed tot je kon laten doordringen, hielden het van opgekropte nijd niet langer droog. Een achteloze plastic-fan schimpscheutte dat die kutbriefjes altijd meteen door zo’n kind in zijn mond gestoken werden; wat toch ook wel als een teken gezien kon worden.
In het meesmuilend gejoel dat nu opklonk probeerde een jong stel dat zojuist nog monter kennis was komen maken met de medverzorgersters van hun eerste kind, steels naar de rand van de leeuwenkuil te schuifelen. De moeder frommelde handig als een goochelaar precies zo’n handleiding in de palm van haar hand.
Ik grinnikte en in de stilte die er toen even viel, zag iedereen mij opeens staan.
‘Hé jij, jij bent ook nieuw. Wat vind jij er nou van?’vroegen ze vijandig. Ze wachtten grimmig mijn stellingname af.
In plaats van verstandig te zijn en mijn brutale mond te houden zei ik in mijn droom weer precies hetzelfde als destijds in het echt: ‘Je kan toch een handig schemaatje maken van vouwen en spelden enzo, en dat dan met stift op hun buikjes tekenen?’ Toen bleek dat er in mijn droom toch ook acht jaren verstreken waren, want ik werd niet als melaatse bekeken, maar iedereen barstte in lachen uit.
Ik werd wakker en ging vrolijk op zoek naar Beer.
Hij lag gewoon in Jonahs vakje. Met een briefje op zijn buik gespeld: ‘domme Jonah!’
Ik las het thuis aan hem voor. Hij moest glimlachen. ‘Het is maar goed dat je nog niet op school zit,’ moraalde ik, ‘want van de school heb ik geen sleutel.’ Hij knikte nog maar eens beteuterd.
‘Trouwens, ik denk niet dat je Beer mee naar school mag nemen.’
Dat leek hem niet veel te kunnen schelen.
‘Papa, wat is alledierpaardjes?’
‘Dat je iemand `t allerliefst vindt.’
‘Op school krijg ik geen beer-zeer,’stelde hij.
‘Nee beaamde ik droevig, ‘op school krijgen we krakelwee.’